Wednesday, 17 September 2008

Klaus Staeck

Klaus Staeck (Pulsnitz, bij Dresden, 28 februari 1938) is een Duits graficus. Hij staat bekend als een politiekbewust persoon en maakt satirische prenten. Daarnaast heeft hij een uitgeverij (edition Staeck), die kunst in serie uitgeeft van internationaal bekende kunstenaars zoals Joseph Beuys, Panamarenko, Dieter Roth, Nam June Paik en vele anderen.
Staeck groeide op in de industriestad
Bitterfeld. In 1956, direct na het behalen van zijn middelbareschooldiploma, verhuisde hij naar Heidelberg, waar hij rechten studeerde. Sinds de jaren '70 is hij actief op het gebied van de politieke satire. Het leeuwendeel van zijn werk bestaat uit beeldmontages die hij typografisch van ironische commentaren voorziet. Zijn werk richt zich onder andere tegen de politieke praktijken van de CDU en de CSU.
Vaak lukte het hem met zijn satirische werk conservatieve politici te provoceren, waardoor het regelmatig tot juridische strijd kwam, waardoor zijn bekendheid alleen maar groeide. In de jaren '60 en '70 was zijn werk erg populair bij linksdenkenden; tegenwoordig maken velen dergelijke montages zelf op hun computer.
Klaus Staeck is lid van de
SPD en ook van het bestuur van de Humanistische Union, die opkomt voor verschillende burgerrechten, bijvoorbeeld door te streven naar directe democratie en naar het afschaffen van de binnenlandse geheime dienst.
Op 29
april 2006 werd Staeck verkozen tot president van de Akademie der Künste in Berlijn. Hij is daarmee de opvolger van de Zwitserse schrijver Adolf Muschg. In hetzelfde jaar kwam Staeck in de media als tegenstander van een Arno Breker-tentoonstelling in Schwerin, terwijl hij terzelfder tijd een tentoonstelling organiseerde ter ere van Johannes Heesters, die zijn nalatenschap aan de Akademie geschonken had.

Gordon Matta-Clark

Gordon Matta-Clark (June 22, 1943August 27, 1978) was an American artist best known for his site-specific artworks he made in the 1970s. He is famous for his "building cuts," a series of works in abandoned buildings in which he variously removed sections of floors, ceilings, and walls.
Contents[
hide]
1 Life and Work
2 Influences on Contemporary Artists
3 References
4 External links
//

[edit] Life and Work
Both of Gordon Matta-Clark's parents were artists: the Chilean Surrealist painter
Roberto Matta and American Anne Clark.
He studied
architecture at Cornell University, but did not practice as a conventional architect; he worked on what he referred to as “Anarchitecture.” [1] At the time of Matta-Clark's tenure there, Cornell's architecture program was guided in part by Colin Rowe, a preeminent architectural theorist of modernism. His vision of modernism later influenced much of Matta-Clark's own work in its relation to modernist practice and theory. He also spent a year studying French literature at the Sorbonne in Paris and was in Paris during the student strikes of May 1968. It was in Paris that he became aware of the French deconstructionist philosophers and Guy Debord and the Situationists. These cultural and political radicals developed the concept of détournement, or "the reuse of pre-existing artistic elements in a new ensemble." Such concepts would later inform his work. He is most famous for works that radically altered existing structures. His "building cuts" (in which, for example, a house is cut in half vertically) alter the perception of the building and its surrounding environment. [1]
Matta-Clark used a number of media to document his work, including film, video, and photography. His work includes performance and recycling pieces, space and texture works, and his "building cuts."
Matta-Clark also used puns and other word games as a way to re-conceptualize preconditioned roles and relationships (of everything, from people to architecture). He demonstrates that the theory of entropy applies to language as well as to the physical world, and that language is not a neutral tool but a carrier for society's values and a vehicle for ideology.
"AN ARK KIT PUNCTURE, ANARCHY TORTURE, AN ARCTIC LECTURE, AN ORCHID TEXTURE, AN ART COLLECTOR..."
In February, 1969, the "
Earth Art" show, curated by Willoughby Sharp at the invitation of Tom Leavitt, was realized at Andrew Dickson White Museum of Art, Cornell University, Ithaca, NY. Matta-Clark, who lived in Ithaca at the time, was invited by Willoughby Sharp to help the artists in "Earth Art" with the on-site execution of their works for the exhibition. Sharp then encouraged Gordon Matta-Clark to move to New York City where Sharp continued to introduce him to members of the New York art world. Matta-Clark's work, Museum, at Klaus Kertess' Bykert Gallery, was listed and illustrated on pages 4-5 of Avalanche 1, Fall 1970.
In the early 1970s as part of the Anarchitecture group, Matta-Clark was interested in the idea of entropy, metamorphic gaps, and leftover/ambiguous space. Fake Estates was a project engaged with the issue of land ownership and the myth of the American dream - that everyone could become "landed gentry" by owning property. Matta-Clark "buys" into this dream by purchasing 15 leftover and unwanted properties in Manhattan for $25-$75 a plot. Ironically, these "estates" were unusable or unaccessible for development, and so his ability to capitalize on the land, and thus his ownership of them, existed virtually only on paper.
In 1971 Matta-Clark cofounded Food, in
SoHo, New York, a restaurant managed and staffed by artists. The restaurant turned dining into an event with an open kitchen and exotic ingredients that celebrated cooking. The activities at Food helped delineate how the art community defined itself in downtown Manhattan. [1] The first of its kind in SoHo, Food became well known among artists and was a central meeting-place for groups such as the Philip Glass Ensemble, Mabou Mines, and the dancers of Grand Union. He ran Food til 1973. [2]
For the Biennale de Paris in 1975, he made the piece titled Conical Intersect by cutting a large cone-shaped hole through two townhouses dating from the 17th century in the market district known as Les Halles which were to be knocked down in order to construct the then-controversial Centre Georges Pompidou.
Matta-Clark died from
pancreatic cancer on August 27, 1978.

[edit] Influences on Contemporary Artists
Matta-Clark's "cuts" inspired, among other contemporary artists,
Brian Jungen, from British Columbia, Canada. Jungen recycles goods from a globalized consumer market and transforms them into objects that evoke a specific cultural tradition based in part on his Dunne-za First Nations background, as in his series "Prototypes of New Understanding."
Matta-Clark's excavation pieces and fascination for the underground also inspired Belgian
performance artist Danny Devos in his piece "Diggin' for Gordon," in which Devos digs a hole at a secret location. The piece is visible to the audience only via a webcam.
Matta-Clark's public interventions such as his "cuts" can been seen as the precursor to
Street installation.
Two years after his participation in the Biennale de Paris, He returned to Paris to film/photograph sites underneath the city streets. Descending Steps for Batan was the result of Matta-Clarks days of digging a narrow space deep into the earth beneath the floors of a Paris gallery.

Hans Haacke

Hans Haacke, Collateral
Collateral

Hans Haacke, Kondensationswürfel

Kondensationswürfel

Hans Haacke, Bundesgartenschau

Hans Haacke (1936)Duits beeldend kunstenaar, geboren 12-08-1936 in Keulen, werkzaam in New York. De Duitse concept- en objectkunstenaar maakte kinetische pneumatische en conceptuele kunst. Met zijn materiële, meteorologische, biologische en sociologische werken breidde Haacke het traditionele begrip van de beeldhouwkunst en de plastische kunsten uit tot de uitbeelding van systemen.Haacke legde zich toe op het zichtbaar maken van processen uit de natuurkunde en de natuur, zoals condenseren, vriezen, smelten, zwaartekracht en wind. Dit werk behoort tot de conceptual art. Ging later ook fotograferen en richtte zich steeds meer op de analyse van de omgang met producten van beeldende kunst. De vraag hoe en waarom geïnvesteerd wordt in bepaalde soorten kunst werd thema van zijn werk.1956-1969 Studeert aan de Staatliche Werkakademie in Kassel. 1960/61 DAAD-beurs voor Parijs, waar hij in de grafische studio Atelier 17 van Hayter werkt. Contact met de Zero groep in Dusseldorf. Interesseert zich voor de uitbeelding van wetenschappelijke fenonemen.1961 Fullbright-beurs voor Philadelphia.1962 verhuist naar New York.1963 Zijn fascinatie voor natuurkundige wetten leidt tot de constructie van zijn zogenaamde Condensatiekubussen (foto), waarmee hij processen en hun volledige tijdsverloop demonstreerde.1963-1965 Woont in Duitsland.Van ca 1964-69 maakte hij vooral werk, dat betrekking had op natuurkundige processen, vooral op de weersomstandigheden: wind, bevriezing, condensering. Hij creëerde kinetische objecten, zoals omhulsels van plexiglas, gevuld met water, of een zeiltje van gaas bewogen door een luchtstroom. Ook werkte hij op groter schaal met natuurlijke elementen b.v. door grote, met gas gevulde ballonnen op te laten. 1966/67 Doceert aan verschillende Amerikaanse universiteiten. Geeft vanaf 1967 les aan de Cooper Union, New York.Vanaf ca 1969 beperkte hij zich vooral tot een summier aangeven van klimatologische processen en sinds die tijd kan hij gerekend worden tot de beoefenaars van de conceptuele kunst. In recenter werk stapte Haacke af van natuurkundige processen als thema. Sinds 1971 interesseert hij zich voor statische gegevens. In zijn Bezoekersprofiel ondervraagt hij via enquêteformulieren de bezoekers op tentoonstellingen over allerlei zaken, variërend van schoolopleiding tot politieke vraagstukkenpolitieke kunstHans Haacke werd veruit de bekendste vertegenwoordiger van de activistische kunst. In het werk Shapolsky et al. Manhattan Real Estate Holdings, a Real-Time System (1971) bv. toonde hij door toedoen van de familie Shapolsky aan de hand van foto's en teksten de opzettelijk geplande verarming en verkrotting van huizenblokken in New York aan. Hij documenteerde alles op een diepgaande en exacte manier, met bewijsmateriaal incluis. In een ander project beschreef en fotografeerde hij alle onroerende goederen van Sol Goldman en Alex di Lorenzo in Manhattan.In 1971 werd een tentoonstelling van Hans Haacke in het Guggenheim Museum te New York onder druk van de sponsors afgelast, waarbij directeur Edward Fry ontslag moest nemen. Dit verwekte een golf van protest in de kunstwereld, en leidde zelfs tot een boycot van het Guggenheim Museum door de meest vooraanstaande kunstenaars. Ook in Duitsland werd zijn werk herhaaldelijk gecensureerd. Bron: Activistische kunst van Paul Ilegems >>>1972 Deelname aan Documenta 51973 Gastdocent aan de kunstacademie van Hamburg.1973/74 Guggenheim Fellowship Award.De weg naar de winst is geplaveid met kunstIn 1976 stelde hij een chemisch bedrijf aan de kaak dat een aanzienlijke belastingvermindering opstreek in ruil voor financiële steun aan de culturele sector, terwijl het ervan beschuldigd werd grote hoeveelheden insecticides in een rivier te hebben gedumpt. Dit project was getiteld: De weg naar de winst is geplaveid met kunst. Haacke concentreert zich op de grote economische belangengroepen van de westerse wereld, die controle uitoefenen op de politieke macht en het culturele leven. Hij laat zien hoe de hoge financiële milieus de wereld naar hun hand zetten, meestal zonder rekening te houden met sociale of humanitaire argumenten. Tegelijkertijd houden ze een vriendelijk gezicht op door als sponsor op te treden voor musea en andere culturele instellingen, door kunstcollecties aan te leggen en kunstenaars te ondersteunen. Zo laat Haacke zien hoe de kunstwereld niet onschuldig en vrijblijvend op een roze wolk zit, maar net als alle andere sectoren van het maatschappelijke leven onderhevig is aan beïnvloeding, marktmechanismen, manipulaties, façades, belangenvermenging, fiscale operaties en corruptie. De bekende kunstcriticus en kunstfilosoof Leo Steinberg schreef hierover: 'Hans Haacke had iets werkelijk obsceens ontdekt. Niet iets dat met sex te maken had, want daar is tegenwoordig geen obsceniteit meer in te ontdekken. De enige echte ironische vorm van obsceniteit is mensen te vragen waar hun geld vandaan komt, en dan vooral aan degenen die donaties verstrekken aan musea. En dan wil ik u de volgende vraag voorleggen: als je ontdekt dat een van de grootste sponsors van een museum een chemische fabriek is die gifgassen voor Auschwitz heeft geproduceerd, en met dat geld nu het museum in Keulen wordt gesteund, maakt dat dan deel uit van de kunstgeschiedenis? Dat is een hele interessante, morele kwestie, die Hans Haacke aan de orde heeft gesteld.'Ook hoe de militaire macht met mensen omgaat interesseert Haacke. Zo exposeerde hij in 1983 een grote witte kubus met twee horizontale spleetjes in. Het leek een minimalistisch kunstwerk, maar was in werkelijkheid een draagbare gevangenis van het Amerikaanse leger, waarin krijgsgevangenen werden opgesloten tijdens de invasie in Grenada.Bron: Activistische kunst van Paul Ilegems >>>1987 Deelname aan Documenta 81993 vertegenwoordigt Duitsland op de Biennale van Venetie.titel: Hans Haacke editie: 62-JUL 1996 auteur: Lütticken Sven artikel: http://dewitteraaf.stylelabs.com/Ook als gastconservator van Museum Boijmans Van Beuningen onderzoekt Hans Haacke, het viel niet anders te verwachten, de samenhangen tussen kunst, macht en geld. Het resultaat van zijn zoektocht in depots en catalogi, de tentoonstelling “Boven: ter inzage”, heeft gelukkig geen last van vulgair-marxistische reducties van artistieke ontwikkelingen tot economische en politieke aspecten. Haacke toont zich een meester in het maken van zinvolle, verhelderende en prikkelende combinaties van kunstwerken uit verschillende tijden - een verademing na alle escapades van Rudi Fuchs. Een portretbuste van oliemagnaat en kunstverzamelaar D.G. van Beuningen is door Haacke met een werk van Bertrand Lavier geconfronteerd: op het onderste deel van een klassieke zuil staat een zwart olievat van exact dezelfde omvang. Kapitaal en cultuur, die zo gescheiden lijken, vormen in feite een eenheid. Marcel Broodthaers, die dit getuige onder meer zijn prent van goudstaven met kunstenaarsnamen, ook goed had begrepen, is op de tentoonstelling ruim vertegenwoordigd. Analoog aan Broodthaers' pseudo-museale activiteiten classificeert Haacke in een deel van zijn tentoonstelling werken uit de collectie van het museum: stillevens, landschappen (met en zonder koeien), kunstenaarsportretten, etcetera. Tevens zijn afdelingen aan kapitaal en arbeid gewijd, aan menselijke relaties en aan het kijken. In laatstgenoemde sectie treffen we onder meer een door Haacke gebouwde camera obscura aan, die voor de ‘objectieve' blik van de 17de-eeuwse Nederlandse kunst staat. Elders wordt duidelijk dat kijken geen onthechte, afstandelijke bezigheid is maar een zaak van leven en dood kan zijn: boven een schilderij van een zojuist gewelddadig van zijn ogen ontdane Argus, de dienaar van Zeus die diens in een koe getransformeerde minnares Io bewaakte, prijkt de schaduw van een adelaar, de mythische vogel die Haacke net als Marcel Broodthaers niet enkel met Zeus, maar met macht in het algemeen identificeert. Tot 18 augustus in Museum Boijmans Van Beuningen, Museumpark 18-20, 3015 CX Rotterdam (010/441.94.00). (Sven Lütticken)1997 Deelname aan Documenta 10Zie ook Hans Haacke en Boijmans. Van Abbemuseum over zichzelf editie: 89-JAN 2001 auteur: Pültau Dirk artikel: http://dewitteraaf.stylelabs.com/